Schriftuitleg


Schriftuitleg van 25 maart 2018.

Inleiding:

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt.

Schriftteksten

Evangelielezing Marcus 11, 1-10

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Betfage en Bethanie op de olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: 'Gaat naar het dorp daar voor u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar?, antwoordt dan: De Heer heeft het no-dig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug'. Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur buiten op straat. Ze maakten het los, maar sommige mensen die daar in de buurt stonden riepen hun toe: 'Wat doet ge daar, om zomaar dat veulen los te maken?'. Ze ant-woordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene tak-ken die ze in het veld gehakt hadden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: 'Hosanna; Gezegend de Komende in de naam des Heren; Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!'.

Eerste lezing Jesaja 50, 4-7

God, de Heer, heeft mij de gave van het woord geschon-ken. Ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord; elke morgen richt Hij het woord tot mij, en ik luister met volle overgave. God, de Heer, heeft tot mij gesproken, en ik heb mij niet verzet; ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloe-gen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God, de Heer, zal mij helpen; daarom zal ik niet beschaamd staan, en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Tweede lezing Filippenzen 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft Zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft Zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op Zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij Zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van Zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer. Evangelielezing Marcus 14, 1 - 15,47

(U kunt de lezing in haar geheel lezen, of in een van de ver-korte versies: van * tot * of van $ tot. $)

L ' lector; C ' Christus; A ' allen; P ' andere Bijbelse per-sonen.

L Over twee dagen was het feest van Pasen en van het onge-desemde brood. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door list zouden kun-nen grijpen en Hem ter dood zouden kunnen brengen. Want ze dachten: A 'Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ont-staan onder het volk'. L Terwijl Jezus zich te Bethanie bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd. Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar: A 'Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig ge-weest? De balsem had voor meer dan driehonderd dena-ries verkocht kunnen worden ten bate van de armen'. L Toen zij tegen haar uitvoeren, sprak Jezus: C 'Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd. Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de blijde boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald wor-den wat zij gedaan heeft'. L Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de ho-gepriesters om Hem aan hen uit te leveren. Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Hem: A 'Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen zodat Gij het paasmaal kunt houden?'. L Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de op-dracht: C 'Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volgt hem en zegt aan de eige-naar van het huis waar hij binnengaat: De Meester laat vragen: Waar is de zaal voor Mij waar Ik met mijn leerlin-gen het paasmaal kan houden? Hij zal u dan een grote bo-venzaal laten zien met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor ons klaar'. L De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf. Terwijl zij aan tafel aanlagen en de maaltijd aan de gang was, zei Jezus: C 'Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal mij overleveren, een die met Mij eet'. L Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen: P 'Ik ben het toch niet?'. L Hij antwoordde hun: C 'Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt. Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!'. L Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit brak het en gaf het hun, met de woorden: C 'Neemt, dit is mijn lichaam'. L Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen: C 'Dit is mijn bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen. Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het nieuw zal drinken in het koninkrijk van God'. L Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen: C 'Allen zult gij ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea'. L Toen zei Petrus: P 'Al komen allen ten val, ik zeker niet'. L Jezus antwoordde hem: C 'Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen'. L Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus: P 'Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen'. L In die zelfde geest spraken allen. Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zei Hij tot zijn leerlingen: C 'Blijft hier zitten terwijl Ik bid'. L Hij nam Petrus, Jacobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen: C 'Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt'. L Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan. C 'Abba, Vader', L - zo bad Hij - C 'voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt'. L Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: C 'Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven een uur te waken? Waakt en bidt dat gij niet op de bekoring in gaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak'. L Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met de zelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terug kwam sprak Hij tot hen: C 'Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan: mijn verrader is nabij'. L Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleer-den en oudsten. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen: P 'Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg'. L Hij ging recht op Jezus af en zei: P 'Rabbi!'. L En hij kuste Hem. Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met een houw de knecht van de hogepriester het oor af. Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden: C 'Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan'. L Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. Toch ging een jongeman die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen Hem achterna.

*

L Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg. Men bracht Jezus naar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te warmen. De hogepriesters en het hele Sanhedrin zocht naar een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar zij vonden er geen. Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden: A 'Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is ge-maakt'. L Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eenslui-dend. Toen stond de hogepriester in hun midden op en hij vroeg aan Jezus: P 'Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?' L Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag: P 'Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?'. L Jezus antwoordde: C 'Ja, dat ben Ik: en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels'. L Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit: P 'Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?'. L Allen spraken het vonnis uit dat Hij de dood verdiende. Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden: A 'Wees nu eens profeet!'. L Ook de knechten dienden Hem slagen toe. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar een van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei: P 'Jij was ook bij Jezus de Nazarener'. L Maar hij ontkende het: P 'Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt'. L En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders: P 'Die is er ook een van'. L Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus: A 'Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeer'. L Toen begon hij te vloeken en te zweren: P 'Ik ken die man niet waarover jullie het hebben'. L Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had: Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij drie-maal verloochenen. En hij barstte in tranen uit.

$

L In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hoge-priesters met de oudsten en schriftgeleerden, heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en lever-den Hem uit aan Pilatus. Pilatus stelde Hem de vraag: P 'Zijt Gij de koning der joden?'. L Hij antwoordde hem: C 'Gij zegt het'. L Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem in-brachten, ondervroeg Pilatus Hem weer en zei: P 'Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen'. L Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. Nu was hij gewoon bij elk feest een gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag: P 'Wilt ge dat ik de koning der joden zal vrijlaten?'. L Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgele-verd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten. Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun: P 'Wat moet ik dan doen met Hem die gij de koning der jo-den noemt?'. L Nu schreeuwden ze opnieuw: A 'Kruisig Hem!'. L Daarop vroeg Pilatus hun: P Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?'. L Maar zij schreeuwden nog harder: A 'Kruisig Hem!'. L Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven, liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen: A 'Gegroet, koning der joden'. L Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuw-den Hem en brachten Hem hulde door op de knieen te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ont-deden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisi-gen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van zijn kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning der joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts de ander links van Hem. Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem terwijl ze het hoofd schudden en zeiden: A 'Ha, gij daar die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van het kruis af en red Uzelf'. - L In de zelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftge-leerden spottend onder elkaar: A 'Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet red-den. Die Messias, die koning van Israel, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en ge1oven!'. L Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe. Vanaf het zesde uur viel er een duis-ternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem: C 'Eloi, Eloi, lama sabaktani!'. L Dit is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Enkele omstanders die het hoorden, zeiden: A 'Hoor, Hij roept Elia'. L Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken terwijl hij zei: P 'Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem eraf komt halen'. L Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

Hier knielen allen gedurende enige tijd.

L Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeen. De honderdman die tegenover Hem Post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven riep uit: P 'Waarlijk, deze mens was een Zoon van God'.

* $

L Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; on-der hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria, de moe-der van Jacobus de jongere en van Joses, en Salome. Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren. Het was al avond geworden en het was Voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor de sabbat. Jozef van Arimatea, een vooraan-staand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwach-ting van het rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus. Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de honderdman roepen en vroeg hem of Hij al gestorven was. Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht, stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. Deze kocht een lijnwaad, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een Steen voor de ingang ervan. Maria Magdalena en Maria de moe-der van Joses zagen toe waar Hij werd neergelegd.

Uitleg:

Het thema van deze Palmzondag is: 'Meer dan een koning'. Jezus Christus is meer dan een koning, want Hij is de Koning der koningen, omdat Hij God is. Dat Hij de Koning is toont duidelijk de manier waarop Hij zich, voor de eerste en laatste maal, laat verheerlijken tijdens Zijn leven op Aarde, bij de glorievolle intocht in Jeruzalem. Daarmee vervulde Hij de profetie dat de Koning van de Israelieten nederig zou komen op een ezel, niet hoogmoedig te paard, maar op een nederig dier als een ezeltje. Deze glorierijke binnenkomst was nodig om het volk te tonen Wie Hij was en is; de Koning, die over de gehele Aarde en over de gehele oneindigheid regeert en zal regeren tot in de eeuwigheid der eeuwigheden. Maar een aardse troon heeft Jezus Christus niet aanvaard, want Hij was hiervoor niet op Aarde gekomen, maar om een geestelijk Rijk te stichten voor alle mensen; het Rijk Gods. Daarmee werden alle mensen, die Hem navolgen, ook Israelieten. Israel was de naam die Jacob kreeg, nadat hij met God had geworsteld en betekent dan ook: hij die met God heeft geworsteld; dat zijn alle mensen die God in Jezus Christus navolgen. Immers, geen mens komt volmaakt op de Aarde, maar zal, door velerlei beproevingen en de volharding van het daadwerkelijke geloof, zich zelf waardig moeten maken om ware kinderen van God te worden en dan ook wedergeboren te worden in God, dus in Jezus Christus. Wij mensen zijn, slechts ogenschijnlijk, los van God op Aarde geplaatst om de 'weg van het vlees' te gaan en door God beproeft te worden of wij God als Vader willen, of onze eigen wegen gaan. Heel veel mensen gaan hun eigen wegen en, toen de mensheid geheel verloren dreigde te gaan, omdat zij te ver van God waren afgedwaald, is God Zelf op Aarde gekomen, om ons allen de juiste weg naar God te wijzen. De enige juiste Weg naar God is Jezus Christus, die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Hij is de smalle weg, de nauwe poort en de deur, waardoor allen, die gered willen worden voor de eeuwigheid, doorheen moeten gaan. Er is geen andere weg naar God! Dat wisten de hogepriesters en schriftgeleerden van Zijn tijd op Aarde ook heel erg goed; maar toch wezen zij Hem af en vervolgden Hem. Zij leefden dan ook in diepe duisternis, maar beweerden dat zij God vertegenwoordigden. Hadden zij dat gedaan, dan hadden zij Hem nooit vervolgd, maar Zijn trouwe aanhangers en volgelingen geweest. Zoals er heden ook vele ketters zijn, die soms hoge functies in Gods Kerk hebben; maar zelf niet meer in God geloven en Hem daarom, ook heden vervolgen. Zij kunnen Jezus Christus niet meer gevangen nemen en aan een kruis laten slaan, maar heden wordt Zijn leer vervolgt en als 'niet meer ter zake doende, of niet meer van deze tijd' verklaard. Maar God is werkelijk onveranderd, daarom is Zijn leer van alle tijden, beschavingen, culturen en eeuwigheden. Er is geen andere Leer van God, dan die van Jezus Christus en deze is net zo actueel als in de tijd dat Jezus Christus deze leerden aan Zijn volgelingen en het volk, welke zich om Hem heen verzamelde. Toch wist God heel goed wat voor koude en kille ontvangst Zijn grote genade zou krijgen, wanneer Hij als Mens tussen ons in zou leven. Jesaja kreeg, evenals andere profeten, de profetie over het lijden van Jezus Christus en dat is letterlijk uitgekomen. Jezus is namelijk, nog voordat Hij aan een kruis werd gehangen, vreselijk gemarteld door Zijn beulen, aangespoord door Zijn vijanden. En Hij werd niet te schande gemaakt, want Hij verdroeg dit stilzwijgend en gelaten, zonder geschreeuw of om genade te vragen; welke Hij toch niet had gekregen. Verkocht en verraden werd Hij door Judas Iskariot en overgeleverd aan Zijn beulen en valse rechters. Vandaar dat Paulus gelijk had, toen hij beweerde dat Jezus Christus had afgezien van Zijn goddelijke Majesteit en het bestaan van een slaaf op Zich had genomen. Immers, Jezus was niet geboren in een paleis, maar in een stal en had, voor Zijn openbare leven, gewerkt als een timmerman en bovendien, op het einde van Zijn openbare leven, werd Hij verkocht voor dertig zilverlingen, de prijs van een slaaf. Dit alles was door God reeds zeer lang geleden voorzien en toegelaten. Want de vrije wil, die elk mens heeft gekregen, moet zelfs zover gaan, dat wij mensen onze Heer en God aan een kruis mochten slaan en, naar het lichaam, mochten vermoorden. Maar daarmee was het ook afgelopen; want volgende week vieren wij de heuglijke gebeurtenis dat Jezus Christus Zijn lichaam op de derde dag heeft opgeeist en Hij verder leeft in de hoogste hemel tot in alle eeuwigheden. Van daaruit is Hij altijd Koning en Hij heerst over alles wat bestaat. Maar in het lijdensverhaal, welke vandaag wordt gelezen, komen nog enige opmerkelijke gebeurtenissen naar voren. Jezus werd vooraf gezalfd door een vrouw, die Hem zeer lief had. Dat wekte bij sommige mensen ergernis op. Zoals ook de zogenaamde rijkdom van de Kerk, of in kerkgebouwen, ergernis opwekt bij sommige mensen, welke zelf hun geloof hebben verloren. Maar zie, bij Jezus was het een voorafbeelding van de zalving, welke veel gestorven mensen kregen in die tijd, maar Hijzelf niet kon krijgen, vanwege Zijn opstanding uit de doden. Daarom liet Hij deze liefdesdaad toe en verdedigde deze vrouw tegenover haar kritiekasters, welke deze daad afkeurde. Want, inderdaad, armen hebben wij mensen altijd om ons heen, ongeacht in welke tijd en hoe welvarend vele mensen zijn en zullen wij mensen, hoogstwaarschijnlijk, altijd om ons heen hebben. Die kunnen wij dan altijd, vanuit de naastenliefde, van hun ergste nood af helpen en soms zelfs van de armoede verlossen. Maar Jezus Christus was tijdelijk op Aarde - nog geen vierendertig jaar - dus Hem een weldaad willen bewijzen, was heel goed. Evenals zijn de kerken ieder Gods huis en mensen, die van Jezus Christus houden, willen Zijn huis zo mooi mogelijk maken; omdat daar de Koning der koningen woont in de tabernakels, vermomd als brood, welke het Lichaam van Christus is geworden tijdens de eucharistie viering, die het lijden van Christus in onbloedige vorm weergeeft en symboliseert. Petrus, de eerste paus, de rots waarop Jezus Christus Zijn Kerk zou bouwen, was een man met zwakheden, die hij liet zien tijdens de gevangenneming van Jezus; hij verloochende zijn Heer en God driemaal. Maar ook dat wist God van tevoren en het belette Petrus niet in zijn ambt; de Kerk leiden, na de verrijzenis van Jezus. En zo hebben wij allemaal onze zwakheden en niemand is vrij van zonden. Maar dat hoeft de weg naar het eeuwige leven niet in de weg te staan, mits wij berouw hebben over onze zonden en daarna Christus weer met nieuwe moed en overtuiging volgen. Niet alleen Jezus Christus, ook wij mensen moeten ons kruis in het leven opnemen en dan ook Hem navolgen. Jezus Christus is, voor ons, lichamelijk gestorven aan een kruis, na een vreselijke marteling; wij mensen moeten sterven aan onze zonden, dan volgen wij Jezus na en komen zeker in de hemel. Wellicht ook in het huis van onze Vader, God in Jezus Christus, het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom, vanaf heden, leven als daadwerkelijke christenen en ervoor bidden dat wij elkaar daar allemaal zullen aantreffen.

Amen.

Cor Huizer

PS: God richt Zich nu tot ons in de eindtijdprofetes, die u kunt vinden op www.hetboekderwaarheid.net



 

HOME   GOD IS LIEFDE EN LEVEN  DE EUROPESE OPLOSSING  SLAVERNIJ IS ECONOMISCHE NOODZAAK  ARTIKEL DAKLOZEN

Webmiep Design  De Rips (GemertBakel)