Religie

Schriftuitleg van zondag 27 maart 2022.

Inleiding: 

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt. 

Schriftteksten: 


Eerste lezing Jozua 5, 9a.10-12

In die dagen sprak de Heer tot Jozua: ‘Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld’. Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren, vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand, in de avond in de vlakte van Jericho. En daags na Pasen, juist op die dag, aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan dat van het land zelf afkomstig was. De volgende dag hield het manna op; ze konden nu eten wat het land voortbracht. Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer; zij aten geduren­de heel het jaar wat Kanaän voortbracht. 


Tweede lezing 2 Korintiërs 5, 17-21

Broeders en zusters, wie in Christus is, is een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.. En dit alles komt van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons, apostelen, de dienst van die verzoe­ning toevertrouwd. Ja, God was het die in Christus de we­reld met zich verzoende: Hij telde de fouten van de men­sen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Wij zijn dus afgezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Hem die geen zonde heeft gekend heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden. 


Evangelielezing Lucas 15,1-3.11-32

In die tijd kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus om naar Hem te luisteren. De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen’. Hij hield hun deze ge­lijkenis voor: ‘Een man had twee zonen. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb. En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land die hem het veld instuurde om varkens te hoeden. En al had hij graag zijn buik willen vul­len met de schillen die de varkens aten, niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot nadenken en zei: Hoeveel daglo­ners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik verga hier van de honger. Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te heten maar neem mij aan als een van uw dagloners. Hij ging dus op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem al in de verte aan­komen en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe viel hem om de hals en kuste hem hartelijk. Maar de zoon zei tot hem: Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u; ik ben niet meer waard uw zoon te he­ten. Doch de vader gelastte zijn knechten: Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan, steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan. Haalt het ge­meste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. Ze begonnen dus feest te vieren. Intussen was zijn oudste zoon op het land. Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde hoorde hij muziek en dans. Hij riep een van de knechten en vroeg wat dat te betekenen had. Deze antwoordde: Uw broer is thuisgekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekre­gen. Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen. Toen zijn vader naar bulten kwam en bij hem aandrong gaf hij zijn vader ten antwoord: Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden, toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven om eens met mijn vrienden feest te vieren. En nu die zoon van u is gekomen die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen, hebt ge voor hem het ge­meste kalf laten slachten. Toen antwoordde de vader: Jongen, jij bent altijd bij me en alles wat van mij is, is ook van jou. Maar er moet een feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden’. 

Uitleg: 

Het thema van deze vierde zondag van de Vasten is: ‘Door medelijden bewogen’. Als wij mensen door medelijden worden bewogen om andere mensen in nood te helpen, dan doen wij wat God in Jezus Christus ons heeft voorgeleefd. Want ook Hij werd door medelijden bewogen door mensen, die voor hulp bij Hem aanklopte. Ja, ook zonder een specifieke vraag hielp Hij mensen in nood. En nog helpt Hij zondaars, die berouw hebben over hun zonden en Hem om hulp vragen. Waarom niet alle zondaars en altijd? Omdat de wil van iedere mens vrij is en daarom dwingt Hij niemand om zich te bekeren en zijn eigen zonden achter zich te laten. Waar zijn staat moet u ook haar lezen, lees dit naar uw eigen geslacht. Immers, zolang iemand wil zondigen is een ingrijpen van God niet mogelijk, omdat dan de vrije wil van die mens wordt afgenomen. Alleen als een mens, expliciet of impliciet, zijn zonden betreurt en anders wil leven door zich tel verbeteren, kan God hem tegemoet komen. Zo heb ik een belevenis gelezen van een moslim in de gevangenis, die christenen vervolgd had en vermoord had, die door Jezus Christus in zijn cel bezocht was en daarna was hij een christen. Zoals ook Saulus zich bekeerde toen God in Jezus Christus hem, op de weg naar Damascus, vroeg waarom hij Hem vervolgde. Hij werd de apostel van de heidenen, Paulus, wiens brieven in de Bijbel bewaard zijn gebleven, om ons allen te leren hoe wij als christenen kunnen zijn. Saulus was verkeerd geleerd wat hij moest doen om God te behagen. Ook deze moslim was, door de leer van de Islam, op een dwaalspoor gebracht en dacht God te behagen; in werkelijkheid behaagde hij Satan. En door medelijden bewogen maakte God in Jezus Christus aan deze verwarring een einde door Zijn verschijning aan deze man. God is een geode Vader voor iedereen die bereid is om Hem als Vader te erkennen; ook als door een valse leer een mens op een dwaalspoor is gebracht. Dat geldt voor ieder mens. Wel is de voorwaarde dat een mens, om gered te worden, minimaal de inwendige bereidheid moet hebben om zich te bekeren onder berouw van de begane zonden en deze ook nimmer meer te begaan. Dat deed Saulus, die onder de naam Paulus een vurige verkondiger werd van de christelijke leer. Dat deed deze moslim, die zijn geloof in de Islam voorgoed verruilde voor een diep geloof in de christelijke leer. Dat doen heel veel mensen, die op welke wijze dan ook kennis maken met de Leer van Jezus Christus en zich daartoe bekeren. Maar helaas zijn er ook mensen, die weliswaar de Leer van Jezus Christus kennen, maar deze verwerpen, omdat zij zo genieten van de zonden die zij begaan. Deze mensen keren zich tegen God en zullen daarvoor, tenzij zij zich bekeren, een zware prijs moeten betalen. Want wie God bewust de rug toekeert en daarvoor in de plaats Satan gaat aanbidden in zijn daden, zal bij Satan zijn beloning voor zijn verknoeide leven moeten krijgen en die beloning zal zeer bitter zijn. Er zijn ook mensen, die van jongst af aan, opgroeien in een omgeving, waar hen een valse leer wordt bijgebracht. Maar ook zij kunnen zich, in de loop van hun leven, bekeren tot het goede. Want elk mens krijgt van God uit een geweten mee en als zij dit geweten volgen, dan zal God hen redden, want God is altijd een Rechtvaardige Rechter, die precies weet hoeveel schuld een mens zelf op zich heeft geladen en in welke mate hij door misleiding, of dwang, onschuldig aan is. Wanneer een mens nog nooit van de leer van Jezus Christus gehoord heft, kan hij deze leer ook niet volgen, maar wel het goede nastreven, door zijn geweten te volgen. Die mensen die, vanuit een heidens geloof, wel het goede nastreven, zullen zeker in het hiernamaals de leer van Jezus Christus geleerd worden en zijn dan, als zij deze leer aannemen, gered voor de eeuwigheid. Maar de spotters op Aarde, die de Bijbel kennen, maar deze verwerpen en er de spot mee drijven, zonder daar ooit berouw van te hebben, die zijn veel slechter af, dan een heiden die nog nooit van zijn leven van Jezus Christus heeft gehoord, maar wel zijn geweten heeft gevolgd en het goede gewild heeft. God bestraft geen mens die, zonder het te weten, tegen Zijn Geboden in heeft gehandeld, omdat hij deze niet kende, maar dacht het goede te doen, omdat zijn aangehangen heidense leer het hem opdroeg. Want net zo min dat een kleuter schuldig is aan zonden, is zo’n mens schuldig aan de door hem begane overtredingen van Gods Geboden; hij kende ze niet. Iets anders is het wanneer een mens de Geboden van God wel kent, maar deze bewust overschrijd, omdat dit hem uit komt. Die mens is wel schuldig aan wat hij heeft gedaan. Zoals Jezus Christus eens aan Farizeeën heeft gezegd, dat zij blind zijn, maar omdat zij beweren ziende te zijn, bleven hun zonden. Deze mannen van de Schrift kende de Geboden van God, maar begrepen ze niet; daarom waren zij blind. Maar omdat zij beweerden deze Geboden wel te begrijpen, werd hen daarom de overschrijdingen van deze Geboden aangerekend; immers zij leerden het volk deze Geboden, maar op een valse manier, die niet overeenkwam met de werkelijke Geboden van God. Zoals tegenwoordig menige christelijke voorganger, ongeacht de denominatie waar hij deel van uitmaakt, ook het Woord van God verdraait of zelfs niet verkondigd, zoals het bedoeld is. Zij misleiden niet alleen zichzelf, maar ook vele anderen, daarom, omdat zij beweren Gods Woord te verkondigen, begaan zij zware zonden die hen, tenzij zij zich bekeren, zullen worden aangerekend. God geeft ons mensen  Zijn dagelijkse brood uit de hemel – de Leer van Jezus Christus – maar voor wie denkt dit niet meer nodig te hebben, houdt het hemelse brood op te vallen vanuit de hemel. De Israëlieten hadden het manna, het brood uit de hemel, letterlijk niet meer nodig en kregen het daarom ook niet meer; zij konden van het land leven. Wij mensen hebben echter nog steeds het hemelse brood, de leer van Jezus Christus, hard nodig. Maar op een andere wijze als de oude Israëliërs van voor de geboorte van God op Aarde in Jezus Christus. Want Jezus Christus heeft voor ons een nieuwe Schepping gemaakt, maar alleen voor hen die in Christus zijn, dus Zijn Leer onderhouden. Voor wie Zijn Leer verwerpen, voor hen geldt dat zij de wegen van Satan bewandelen, die al ongelooflijk lang zich rebels opstelt ten opzichte van God. Wij kunnen wel heilig worden gemaakt en volmaakt zoals onze Vader in de hemel volmaakt is, maar dat moeten wij wel zelf willen en ons daartoe inspannen; door de Leer van Jezus Christus in ons leven te onderhouden, dus te doen. God is wel oneindig barmhartig, maar kan als onze Vader ons pas tegemoet komen, als wij ons op weg hebben begeven naar ons Vaderlijk huis. Zoals in de parabel, de vergelijking, ook de verloren zoon zich op weg begaf om terug te keren naar zijn vaders huis. En dat op weg begeven is de bekering tot God en het gaan onderhouden van Gods Geboden; dus deze te gaan doen. Het hele leven inrichten naar wat God van ieder van ons verlangd. In het algemeen is dat de liefde tot God boven alles en de liefde tor de naasten als voor jezelf. In het bijzonder kan dat een taak zijn, die God ons gedurende het leven oplegt, om ons op te voeden naar het ware kindschap van God. Zonder daden is er geen geloof; het geloof in God gaat weliswaar aan de daden vooraf, maar wordt pas levend door het in de praktijk te brengen, dus te gaan doen. Want geloven zonder daden van geloof en liefde is dood! Maar als wij dan op weg gaan naar het kindschap van God, dan komt God ons ook halverwege tegemoet. En, ongeacht welke zonden wij begaan hebben, met een oprecht berouw en het vaste voornemen niet meer te zondigen, kan en zal God ons alles vergeven en ook ons een kleed aan laten trekken, sandalen aan de voeten doen en een ring aan de vinger. En voor ons feest vieren, omdat wij dood waren, verloren waren en toch, uit eigen vrije wil, naar onze Vader zijn teruggekeerd. Ondanks het gemor van hen die dit niet begrijpen. God is oneindig barmhartig, maar wij mensen moeten Zijn barmhartigheid wel willen accepteren. Maar dan ook wacht ons, na dit proefleven op Aarde, de hemel. Wellicht ook de woning van onze Vader, God in Jezus Christus, het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom vanaf heden leven als daadwerkelijke christenen en ervoor bidden dat wij elkaar daar allemaal mogen aantreffen. 

Amen. 

Cor Huizer.









© Cor Huizer 2022
Ontwerp en hosting Maartens automatisering