Schriftuitleg


Schriftuitleg van Palmzondag 14 april 2019.

Inleiding:

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt.

Schriftteksten

Evangelielezing Lucas 19, 28-40

In die tijd trok Jezus verder en ging op naar Jeruzalem. Toen Hij Betfage en Bethanie naderde, zond Hij twee van zijn leerlingen met de opdracht: 'Gaat naar het dorp daar voor u. Bij uw binnenkomst zult ge een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt het los en brengt het hier. Mocht iemand u vragen: waarom maakt ge het los? dan moet ge zeggen: de Heer heeft het nodig'. De twee leerlingen gingen dus weg en bevonden het zoals Hij hun gezegd had. Toen ze het veulen losmaakten, vroegen hun de eigenaars: 'Waarom maakt ge het veulen los?'. Zij antwoordden: 'De Heer heeft het nodig'. Ze brachten het veulen bij Jezus, wierpen er hun mantels overheen en hielpen Jezus erop. Terwijl Hij voorttrok spreidden ze hun mantels op de weg uit. Toen Hij de stad naderde, begonnen zijn talrijke volgelingen, reeds op de helling van de Olijfberg, opgetogen en met luide stem God te prijzen om alle wonderen die zij gezien hadden. Zij riepen: 'Gezegend de Koning die komt in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer in den hoge!'. Enige Farizeeen onder het volk zeiden tot Hem: 'Meester, geef uw leerlingen een terechtwijzing'. Hij antwoordde: 'Ik zeg u: Als zij zwijgen, zullen de stenen roepen'.

Eerste lezing Jesaja 50, 4-7

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en Ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Tweede lezing Filippenzen 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van Zijn naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Evangelielezing Lucas 22, 14-23,56

U kunt de lezing in haar geheel lezen, of in een van de ver-korte versies, bijvoorbeeld van * tot *, of van $ tot $'. L ' lector; C ' Christus; A ' allen; P ' andere Bijbelse perso-nen.

L Toen de tijd aangebroken was, ging Jezus met de apostelen aan tafel aanliggen. Hij sprak tot hen:

C 'Vurig heb Ik ernaar verlangd dit paasmaal met u te eten eer ik ga lijden. Want Ik zeg u: Ik zal het niet meer eten tot-dat het zijn vervulling vindt in het rijk Gods'.

L Daarop nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en zei:

C 'Neemt die beker en deelt hem samen. Want Ik zeg u: Van dit ogenblik af drink Ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt, totdat het rijk Gods is gekomen'.

L Daarop nam Hij het brood en sprak een dankgebed uit; Hij brak het en gaf het hun, met de woorden:

C Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot een gedachtenis aan Mij'.

L Evenzo gaf Hij hun de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak:

C 'Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten. Maar zie, degene door wiens hand Ik zal worden overgeleverd is met Mij aan tafel. Want de Mensenzoon gaat heen zoals het is vastgesteld; maar toch, wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd'.

L Nu begonnen zij onder elkaar te vragen wie van hen het toch was, die dat zou doen. Er ontstond twist onder hen over de vraag wie van hen wel de voornaamste mocht zijn. Maar Jezus sprak tot hen:

C 'De koningen van de volkeren oefenen heerschappij over hen uit en hun machthebbers laten zich weldoeners noe-men. Zo moet gij niet doen; maar wie onder u de voor-naamste is moet als de jongste wezen; en wie bevelen geeft moet zijn als iemand die dient. Wie is immers de grootste: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt? Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient. Gij zijt het die trouw zijt gebleven in mijn beproevingen. En zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft verleend, zo verleen Ik u een plaats in mijn koninkrijk; ge zult eten en drinken aan mijn tafel en ge zult op tronen gezeten zijn om te heersen over de twaalf stammen van Israel. Simon, Simon, weet dat de satan heeft geeist u allen te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwij-ken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt versterk dan op uw beurt uw broeders'.

L Maar hij antwoordde:

P 'Heer, ik ben bereid met U zelfs gevangenis en dood in te gaan!'

L Daarop sprak Jezus:

C 'Ik zeg u Petrus: de haan zal vandaag niet kraaien voordat ge driemaal geloochend hebt Mij te kennen'.

L Hij sprak tot hen:

C 'Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, heb ge toen aan iets gebrek gehad?'.

L Ze antwoordden:

A 'Aan niets'.

L Hij hernam:

C 'Maar nu moet wie een beurs heeft die meenemen en eveneens een reiszak: en wie die niet bezit, verkope zijn mantel en schaffe zich een zwaard aan. Ik zeg u: in Mij moet dit Schriftwoord vervuld worden: Hij is tot de boos-wichten gerekend. Wat over Mij werd beschikt gaat nu vervuld worden'.

L Ze zeiden Hem:

A 'Zie Heer, hier zijn twee zwaarden'.

L Hij antwoordde:

C 'Het is genoeg'.

*

L Hij ging nu naar buiten en begaf zich volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. Ook de leerlingen gingen met Hem mee. Ter plaatse aangekomen sprak Hij tot hen:

C 'Bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat'.

L Hij verwijderde zich van hen en ging ongeveer een steen-worp verder; daar wierp Hij zich op de knieen en bad:

C 'Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil maar uw wil geschiede'.

L Nu verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken. Aan doodsangst ten prooi bad Hij met nog meer aandrang. Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed die op de grond neervielen. Toen stond Hij op uit zijn gebed en ging naar zijn leerlingen, maar Hij vond hen van droefheid in slaap. Hij zei tot hen:

C 'Hoe kunt ge slapen? Staat op en bidt dat ge niet op de bekoring ingaat'.

L Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam een troep, voorafgegaan door Judas een van de twaalf. Deze trad op Jezus toe om Hem te kussen. Maar Jezus zei tot hem:

C 'Judas, verraadt ge de Mensenzoon met een kus?'.

L Toen zij die om Hem heen stonden bemerkten wat er ging gebeuren, vroegen ze:

A 'Heer zullen we met het zwaard erop in s1aan?'.

L En een van hen gaf de knecht van de hogepriester een slag en hieuw hem het rechteroor af. Maar Jezus greep in en zei:

C 'Laat het hierbij'.

L En Hij raakte het oor aan en genas hem. Nu sprak Jezus tot de hogepriesters, tot de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren:

C 'Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels. Dagelijks was Ik bij u in de tempel en ge hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en uw macht is die der duisternis'.

L Zij grepen Hem nu vast en voerden Hem weg en zij brach-ten Hem in het huis van de hogepriester, terwijl Petrus Hem op een afstand volgde. Op de binnenplaats legden zij een vuur aan en gingen bij elkaar zitten; Petrus zat tussen hen in. Toen een dienstmeisje hem bij het schijnsel van het vuur zag zitten en hem scherp had opgenomen, zei ze:

P 'Die was ook bij Hem'.

L Maar hij ontkende het, en zei:

P 'Vrouw ik ken Hem niet'.

L Even later zag iemand anders hem en zei:

P 'Jij bent ook een van hen'.

L Maar Petrus antwoordde:

P 'Man dat is niet waar'.

L Na verloop van ongeveer een uur verklaarde een ander met stelligheid:

P 'Waarachtig die man behoorde ook bij Hem: hij is immers ook een Galileeer'.

L Petrus antwoordde:

P 'Man ik weet niet wat je bedoe1t'.

L Hij had het nog niet gezegd of meteen kraaide een haan. Toen keerde de Heer zich om en Hij keek Petrus aan; het schoot Petrus te binnen hoe de Heer hem gezegd had: 'Eer vandaag een haan kraait zult ge Mij driemaal verlooche-nen'. En hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. De mannen die Jezus bewaakten bespotten en sloegen Hem. Ze wierpen een doek over zijn hoofd en vroegen Hem:

A 'Wees nu eens profeet: wie is het die U geslagen heeft?

L Nog vele andere beschimpingen voegden ze Hem toe. Toen het dag geworden was vergaderde de raad van oudsten van het volk, hogepriesters en schriftgeleerden en zij lieten Hem voor hun rechtbank leiden. Ze zeiden:

A 'Als Gij de Christus zijt zeg het ons dan'.

L Maar Hij sprak tot hen:

C 'Als Ik het u zeg zult ge er toch geen geloof aan hechten; en als Ik u vragen stel zult ge toch geen antwoord geven. Maar van nu af zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Macht van God'.

L Toen vroegen ze allen:

A 'Gij zijt dus de Zoon van God?'.

L Hij antwoordde hun: 'Gij hebt het gezegd: dat ben Ik.

L. Zij riepen:

A 'Waartoe hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij heb-ben het toch zelf uit zijn eigen mond gehoord'.

$

L Toen stond de gehele vergadering op en men bracht Hem voor Pilatus. Daar begonnen ze Hem te beschuldigen en ze zeiden:

A 'Wij hebben vastgesteld, dat die man ons volk tot opstand aanspoort, dat Hij het ervan afhoudt aan de keizer belas-ting te betalen en dat Hij zich uitgeeft voor de Messias, de Koning'.

L Pilatus vroeg Hem:

P 'Zijt Gij de koning der joden?'.

L Hij gaf hem ten antwoord:

C 'Gij zegt het'.

L Pilatus zeide nu tot de hogepriesters en de volksmenigte:

P 'Ik kan in deze man geen enkele schuld ontdekken'.

L Maar zij hielden aan en riepen:

A 'Door zijn prediking in heel het joodse land, waar Hij in Galilea mee begonnen is en die Hij tot hier heeft voortge-zet, zaait Hij onrust onder het vo1k'.

L Toen Pilatus dat hoorde vroeg hij of de man een Galileeer was. Zodra hij vernam dat Jezus inderdaad uit het machts-gebied van Herodes kwam stuurde hij Hem naar Herodes, die in die dagen eveneens in Jeruzalem verbleef. Herodes toonde zich zeer verheugd toen hij Jezus te zien kreeg. De verhalen over Jezus hadden hem sinds geruime tijd daarnaar doen verlangen en hij hoopte Hem nu een of ander wonder te zien verrichten. Hij stelde Hem allerlei vragen, maar Jezus gaf in het geheel geen antwoord. De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden erbij en putten zich uit in beschuldigingen tegen Hem. Samen met zijn soldaten hoonde en bespotte Herodes Hem. Hij hing Hem een schitterend gewaad om en zond Hem terug naar Pilatus. Op die zelfde dag werden Herodes en Pilatus elkaars vrien-den; tevoren namelijk leefden zij in onderlinge vijandschap.

Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de overheidsperso-nen en het volk bijeen en hij zei tot hen:

P 'Gij hebt deze man voor mij gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet; welnu: ik heb Hem in uw bijzijn verhoord maar ik heb in deze man niets kunnen ontdek-ken van al datgene waar gij Hem van beschuldigt. Herodes evenmin want hij heeft Hem naar ons teruggezonden. Het is duidelijk dat Hij niets heeft bedreven dat de doodstraf zou rechtvaardigen. Ik zal Hem daarom een tuchtiging la-ten toedienen en dan vrijlaten'.

L Ze begonnen allen tegelijk te schreeuwen:

A 'Weg met Hem! laat ons Barabbas vrij!'.

L Deze Barabbas was in de gevangenis geworpen wegens een oproer in de stad en wegens moord. Opnieuw sprak Pilatus hen toe omdat hij Jezus wenste vrij te laten. Maar zij riepen daartegen in:

A 'Kruisig Hem, kruisig Hem!'.

L Voor de derde maal vroeg Pilatus hun:

P 'Wat voor kwaad heeft die man dan toch gedaan? Ik heb in Hem niets gevonden, dat de doodstraf rechtvaardigt. Ik zal Hem daarom een tuchtiging laten toedienen en dan vrijla-ten'.

L Luid schreeuwend bleven zij echter zijn kruisiging eisen en hun geschreeuw gaf de doorslag. Pilatus besliste dat ge-beuren zou wat zij eisten: Hij liet de man die zij opvorder-den los, al zat hij wegens oproer en moord in de gevange-nis, maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur. Toen zij Hem wegvoerden hielden zij een zekere Simon aan, een man uit Cyrene die van het veld kwam; hem belaadden ze met het kruis om het achter Jezus aan te dragen. Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. Jezus keerde zich tot hen en sprak:

C 'Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij maar weent over uzelf en over uw kinderen. Weet dat er een tijd zal ko-men waarop men zeggen zal: Gelukkig de onvruchtbaren, wier schoot niet heeft gebaard en wier borst geen kind heeft gevoed. Dan zal men tot de bergen zeggen: Valt op ons en tot de heuvels: Bedekt ons. Want als men zo doet met het groene hout wat zal er dan met het dorre gebeu-ren?'.

L Er werden nog twee anderen weggevoerd, twee misdadi-gers, om samen met Hem ter dood te worden gebracht. Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet sloegen zij Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de een rechts, de ander links. En Jezus zeide:

C 'Vader, vergeef hun want ze weten niet wat ze doen'.

L Ze verdeelden zijn kleren onder elkaar, door erom te dob-belen. Het volk stond toe te kijken maar de overheidsper-sonen lachten Hem uit en zeiden:

A 'Anderen heeft hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!'.

L De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe:

A 'Als Gij de koning der joden zijt red dan uzelf'.

L Boven Hem stond als opschrift in Griekse, en Romeinse Hebreeuwse letters: 'Dit is de koning der joden'. Ook een van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem:

P 'Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons'.

L Maar de andere strafte hem af en zei:

P 'Heb zelfs jij geen vrees voor God terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij ondergaan dat vonnis terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben, maar Hij heeft niets verkeerds gedaan'.

L Daarop zei Hij:

P 'Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk geko-men zijt'.

L En Jezus sprak tot hem:

C 'Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs'.

L Het was omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem:

C 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest'.

L Nadat Hij dit gezegd had gaf Hij de geest.

(Hier knielen allen gedurende enige tijd.)

L Op het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en hij zei:

P 'Deze mens was waarlijk een rechtvaardige'.

*

L Al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was keerde terug toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was, en zij sloegen zich op de borst. Al zijn bekenden stonden op een afstand toe te zien; ook de vrouwen die Hen vanuit Galilea gevolgd waren.

$

L Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man, die dan ook niet had ingestemd met de plannen en handelwijze van de Raad. Hij was afkomstig uit de joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het Rijk Gods. Deze ging naar Pilatus er vroeg om het lichaam van Jezus. Na het van het kruis ge nomen te hebben wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf dat in steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. Het was Voorbereidingsdag en de sabbat brak aan. De vrouwen die uit Galilea met Hem meegekomen waren volgden, en zij bekeken het graf en zagen toe hoe zijn li-chaam werd neergelegd. Teruggekeerd maakten ze welrie-kende kruiden en balsem klaar maar op de sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.

Uitleg:

Het thema van deze Palmzondag is: 'Hosanna!'. Uit dankbaarheid voor alles wat God ons heeft gegeven en voor ons doet, zouden wij eigenlijk heel vaak moeten juichen en Hosanna roepen. Want ieder van ons heeft van God het leven gekregen en alles wat wij aan talenten hebben en alles wat wij bezitten. Wij moeten daar wel voor werken, maar alleen al dat wij werk hebben is een gave van God. Ook dat ieder van ons een aantal talenten heeft meegekregen en daarmee ons brood kunnen verdienen is onze dankbaarheid waardig. Zeker, wij hebben wel onze talenten verder moeten ontwikkelen, want os is alleen de aanleg, het zaadje, gegeven en wij zelf moeten dan, uit vrije wil, onze aangeboren mogelijkheden zelf ontwikkelen. Onze talenten niet ontwikkelen is het handelen van de luie knecht, die zijn talent in de grond begroef, terwijl het ontwikkelen van onze gekregen talenten is het met winst beleggen, door ermee te werken. Niemand komt dan ook maar iets tekort, ieder mens krijgt van God voldoende voor zijn behoeften, maar niet altijd voor zijn hebzucht. Waar zijn staat moet u ook haar lezen, lees dit naar uw eigen geslacht. Is dat geen reden om te jubelen en in uitbarsting van vreugde Hosanna te roepen? God, die onze Vader wil zijn, die zorgt voor ons; zelfs voor hen die Hem verwerpen en niets met Hem te maken willen hebben. Zo groot is Gods Liefde voor ieder van ons mensen! Jezus Christus, die ook onze God is, had toen Hij op Aarde woonde, alle pogingen van mensen om Hem een koningskroon op te zetten en Hem op een troon te zetten, geweigerd. Maar zo vlak voordat Hij de troon, welke Zijn vijanden voor Hem bereid hadden, ging bestijgen - Zijn kruis - liet Hij eenmaal toe dat de mensen Hem als een Koning, die Hij in werkelijkheid is, mochten binnenhalen in Jeruzalem. Niet trots op een paard, begeleid door Zijn lijfwachten maar, zoals het was voorspeld, op een ezeltje. Hij, die de Koning is over de gehele oneindigheid - omdat Hij God is - kwam deemoedig naar Zijn volk op een deemoedig dier; een ezel. Want Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet en nooit willen vastklampen aan de gelijkheid met God, Zijn en onze Vader. Hij heeft Zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op Zich genomen en is aan ons mensen gelijk geworden. En hoe reageerden wij mensen? Na alle goeds, die Hij gedaan had, riepen wij Hosanna bij de intocht in Jeruzalem en enkele dagen later riepen wij: Kruisigt Hem! Ja, het is waar; ondank is s' werelds loon! God in Jezus Christus is voor onze redding uit de eeuwige dood, voor ons en door ons aan een kruis gestorven. Spot en hoon was Zijn deel door de tempelheren en door koning Herodes. Pilatus wist dat Hij onschuldig was, maar wilde Hem toch laten geselen, wat onrecht is. De schreeuwende menigte vond het geselen goed, maar wilde Hem dood. En Pilatus veroordeelde bewust een onschuldig Mens ter dood, omdat de schreeuwers dat eiste en liet een moordenaar en oproerkraaier vrij. Ook daarin is er eigenlijk niets veranderd; wie de waarheid spreekt is niet in tel, maar de grootste schreeuwers krijgen hun zin, niet alleen in de politiek, maar op elk niveau van onze samenleving, of wat daarvan over is. En zo kwam het dat wij mensen onze Heer en God martelden en aan een kruis sloegen, waar Hij onder hoon en spot stierf naar het lichaam. Want wij mensen hebben, God zij dank, geen zeggenschap over welke menselijke ziel dan ook, noch over de inwonende geest uit God. Wij kunnen alleen het lichaam van een ander mens - en soms die van onszelf - vernietigen, maar niets meer. De ziel van een mens is van hem zelf en hij kan die vernietigen uit zelfzucht of op het eeuwige leven richten door Gods Geboden te onderhouden, dus te doen. Doet hij dat dan ontwikkelt hij zijn inwonende geest en, door zijn liefde voor God en de naasten, gaat de genadezon, die God is, op in zijn ziel en daardoor komt hij in het eeuwige en onverwoestbare leven. Volgens de belofte van God in Jezus Christus zal hij de dood niet zien of voelen, zelfs, indien dat mogelijk zou zijn, hij duizendmaal zou moeten overlijden. God is slechts eenmaal Mens geworden en wel op onze Aarde. God is slechts eenmaal gestorven en bij Zijn wederkomst, welke binnenkort zal plaatsvinden, komt Hij terug in Zijn heerlijkheid als God en zal als de eeuwige Rechtvaardige Rechter oordelen over doden en levenden. De doden zijn die mensen die Hem hebben verworpen, die Zijn bestaan ook ontkennen of in ieder geval Zijn Geboden niet onderhouden, dus doen. De levenden zijn die mensen die wel de Geboden van God in Jezus Christus hebben onderhouden en deze, uit liefde voor God en hun naasten hebben uitgevoerd, dus volgens deze Leer hebben gehandeld. Deze Leer van liefde, die zovele mensen niet willen, omdat deze Leer, mits uitgevoerd, hun zelfzucht en eigenliefde aan banden legt, vanwege de liefde voor andere mensen en voor God. En, omdat zij vaak hun geweten het zwijgen hebben opgelegd, denken zij dat zij nog niet eens kwaad handelen. Maar dat doen zij wel! Als voorbeeld noem ik het doden van zovele ongeboren kinderen en het doden van oude en zieke mensen; die meestal uit wanhoop geboren zelfmoord plegen of moord op verzoek vragen - waardoor heel veel artsen hun eigen eed ontrouw worden en mensen seriematig doden - en ook heel vaak de zinnelijkheid van mensen, die denken dat voor seks alles mag wijken. Voor het korte genot van seks misbruiken zij hun medemensen, hun naasten. Kinderen, volwassen mensen van het andere geslacht of van hun eigen geslacht. Dat God seks enkel toestaat binnen een huwelijk, is reeds lang vergeten, maar elke keer dat sekt plaatsvind buiten het huwelijk is dat een zware zonde. Een huwelijk, volgens Gods richtlijnen is een onverbreekbare verbinding tussen een man en een vrouw; de levenspartner verlaten omwille van een andere relatie - kortstondig of langdurig - is voor God altijd overspel; want wat God gebonden heeft zal een mens niet scheiden, ook niet de huwelijkspartners. Maar waarom is dat een zware zonde, indien het met wederzijdse toestemming gaat, dan wordt er geen kwaad mee gedaan, toch? Ook dan wordt er een groot kwaad gedaan, want zie, wij mensen zijn niet alleen geroepen om God boven alles lief te hebben, maar ook elkaar zoveel als dat wij, ieder voor zich, zichzelf lief heeft. En seks buiten het huwelijk verlaagt de andere mens - soms inderdaad wederzijds - tot een lustobject, een gebruiksvoorwerp ten behoeve van het eigen kortstondige genot. Dan is de naaste geen naaste meer, maar een gebruiksvoorwerp voor het eigen genot; dan wordt het lichaam van de naaste gebruikt voor het zelfzuchtig genieten van de seksuele orgasme. En God wil de liefde tussen de mensen, niet het gebruik van de naaste alsof die geen gelijkwaardige medemens is, maar geschapen is voor het eigen genot, de zelfzucht en de eigenliefde. En dat maakt het zo zwaar zondig; verboden in het gebod van de naastenliefde, verbijzonderd in het zesde en negende Gebod van de Tien Geboden, welke Mozes van God heeft gekregen voor alle mensen op Aarde en voor alle tijden. Wie God in Jezus Christus wil eren voor Zijn grote Zelfgave, toen Hij Zich voor onze zonden en om ons mensen vrij te kopen, liet kruisigen, die zal Zijn Leer moeten onderhouden en doen, opdat hij het eeuwige leven in een hemel kan binnengaan. Wellicht komt hij dan ook in het huis van onze Vader, God in Jezus Christus, het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom vanaf heden leven als daadwerkelijke christenen en ervoor bidden dat wij elkaar daar allemaal mogen begroeten.

Amen.

Cor Huizer

PS: God richt Zich nu tot ons in de eindtijdprofetes, die u kunt vinden op www.hetboekderwaarheid.net



 

HOME   GOD IS LIEFDE EN LEVEN  DE EUROPESE OPLOSSING  SLAVERNIJ IS ECONOMISCHE NOODZAAK  ARTIKEL DAKLOZEN