Religie

Schriftuitleg van Palmzondag 24 maart 2024.

Inleiding:

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt.

Schriftteksten:.


Evangelielezing Marcus 11, 1-10

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden, in de richting van Betfage en Bethanië op de olijfberg, zond Hij twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: ‘Gaat naar het dorp daar vóór u, en bij uw binnenkomst is het eerste dat ge zult vinden een veulen dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt dat los en brengt het hier. En als iemand u de aanmerking maakt: Wat doet ge daar?, antwoordt dan: De Heer heeft het no­dig, maar Hij stuurt het spoedig weer hier terug’. Zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden aan een deur buiten op straat. Ze maakten het los, maar sommige mensen die daar in de buurt stonden riepen hun toe: ‘Wat doet ge daar, om zomaar dat veulen los te maken?’. Ze ant­woordden zoals Jezus hun had gezegd en de mensen lieten hen ongemoeid. Ze brachten het veulen bij Jezus, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Velen spreidden hun mantels op de weg uit, anderen groene tak­ken die ze in het veld gehakt hadden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: ‘Hosanna; Gezegend de Komende in de naam des Heren; Geprezen het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in den hoge!’.


Eerste lezing Jesaja 50, 4-7

God, de Heer, heeft mij de gave van het woord geschon­ken. Ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord; elke morgen richt Hij het woord tot mij, en ik luister met volle overgave. God, de Heer, heeft tot mij gesproken, en ik heb mij niet verzet; ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloe­gen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God, de Heer, zal mij helpen; daarom zal ik niet beschaamd staan, en ik zal geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.


Tweede lezing Filippenzen 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft Zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft Zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op Zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij Zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van Zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.


Evangelielezing Marcus 14, 1 - 15,47

(U kunt de lezing in haar geheel lezen, of in één van de ver­korte versies: van * tot * of van $ tot. $)

L ‘ lector; C ‘ Christus; A ‘ allen; P ‘ andere Bijbelse per­sonen.

L  Over twee dagen was het feest van Pasen en van het onge­desemde brood. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door list zouden kun­nen grijpen en Hem ter dood zouden kunnen brengen. Want ze dachten:

A  ‘Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ont­staan onder het volk’.

L  Terwijl Jezus zich te Bethanië bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd. Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:

A  ‘Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig ge­weest? De balsem had voor meer dan driehonderd dena­ries verkocht kunnen worden ten bate van de armen’.

L  Toen zij tegen haar uitvoeren, sprak Jezus:

C  ‘Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar  wilt;  maar Mij hebt gij niet altijd. Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de blijde boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar  verhaald wor­den wat zij gedaan heeft’.

L  Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de ho­gepriesters om Hem aan hen uit te leveren. Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Hem:

A  ‘Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen zodat Gij het paasmaal kunt houden?’.

L  Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de op­dracht:

C  ‘Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volgt hem en zegt aan de eige­naar van het huis waar hij binnengaat: De Meester laat vragen: Waar is de zaal voor Mij waar Ik met mijn leerlin­gen het paasmaal kan houden? Hij zal u dan een grote bo­venzaal laten zien met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor ons klaar’.

L  De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had      en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond gevallen was, kwam Hij met de twaalf. Terwijl zij aan tafel aanlagen en de maaltijd aan de gang was, zei Jezus:

C  ‘Voorwaar, Ik zeg u: één van u zal mij overleveren, één die met Mij eet’.

L  Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:

P   ‘Ik ben het toch niet?’.

L  Hij antwoordde hun:

C  ‘Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt. Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt      overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!’.

L  Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit brak het en gaf het hun, met de woorden:

C  ‘Neemt, dit is mijn lichaam’.

L  Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen:

C  ‘Dit is mijn bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen. Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het nieuw zal drinken in het koninkrijk van God’.

L  Nadat zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij naar Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen:

C  ‘Allen zult gij ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea’.

L  Toen zei Petrus:

P  ‘Al komen allen ten val, ik zeker niet’.

L  Jezus antwoordde hem:

C  ‘Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen’.

L  Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:

P  ‘Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen’.

L  In die zelfde geest spraken allen. Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zei Hij tot zijn leerlingen:

C  ‘Blijft hier zitten terwijl Ik bid’.

L  Hij nam Petrus, Jacobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen:

C  ‘Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt’.

L  Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan.

C  ‘Abba, Vader’,

L  - zo bad Hij -

C  ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt’.

L  Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus:

C  ‘Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken? Waakt en bidt dat gij niet op de bekoring in gaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.

L  Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met de zelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terug kwam sprak Hij tot hen:

C  ‘Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan: mijn verrader is nabij’.

L  Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleer­den en oudsten. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:

P  ‘Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg’.

L  Hij ging recht op Jezus af en zei:

P  ‘Rabbi!’.

L  En hij kuste Hem. Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af. Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:

C  ‘Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan’.

L  Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. Toch ging een jongeman die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen Hem achterna.

*

L  Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg. Men bracht Jezus naar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te warmen. De hogepriesters en het hele Sanhedrin zocht naar een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar zij vonden er geen. Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in, maar hun getuigenissen stemden niet overeen. Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:

A ‘Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is ge­maakt’.

L  Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eenslui­dend. Toen stond de hogepriester in hun midden op en hij vroeg aan Jezus:

P  ‘Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?’

L  Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:

P  ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’.

L  Jezus antwoordde:

C  ‘Ja, dat ben Ik: en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels’.

L  Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:

P  ‘Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’.

L  Allen spraken het vonnis uit dat Hij de dood verdiende. Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden:

A  ‘Wees nu eens profeet!’.

L  Ook de knechten dienden Hem slagen toe. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond, kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei:

P  ‘Jij was ook bij Jezus de Nazarener’.

L  Maar hij ontkende het:

P  ‘Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt’.

L  En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders:

P  ‘Die is er ook een van’.

L  Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:

A  ‘Waarachtig, jij bent er ook een van; je bent toch ook een Galileeër’.

L  Toen begon hij te vloeken en te zweren:

P  ‘Ik ken die man niet waarover jullie het hebben’.

L  Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had: Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij drie­maal verloochenen. En hij barstte in tranen uit.

$

L  In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hoge­priesters met de oudsten en schriftgeleerden, heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en lever­den Hem uit aan Pilatus. Pilatus stelde Hem de vraag:

P  ‘Zijt Gij de koning der joden?’.

L  Hij antwoordde hem:

C  ‘Gij zegt het’.

L  Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem in­brachten, ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:

P  ‘Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen’.

L  Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag:

P  ‘Wilt ge dat ik de koning der joden zal vrijlaten?’.

L  Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgele­verd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten. Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:

P  ‘Wat moet ik dan doen met Hem die gij de koning der jo­den noemt?’.

L  Nu schreeuwden ze opnieuw:

A  ‘Kruisig Hem!’.

L  Daarop vroeg Pilatus hun:

P  Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’.

L  Maar zij schreeuwden nog harder:

A  ‘Kruisig Hem!’.

L  Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven, liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Ze hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens           gingen zij Hem het saluut brengen:

A  ‘Gegroet, koning der joden’.

L  Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuw­den Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ont­deden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisi­gen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van zijn kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden, verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De     koning der joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de één rechts de ander links van Hem. Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten  gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:

A  ‘Ha, gij daar die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van het kruis af en red Uzelf’. -

L  In de zelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftge­leerden spottend onder elkaar:

A  ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet red­den. Die Messias, die koning van Israël, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en ge1oven!’.

L  Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe. Vanaf het zesde uur viel er een duis­ternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem:

C  ‘Eloï, Eloï, lama sabaktani!’.

L  Dit is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Enkele omstanders die het hoorden, zeiden:

A  ‘Hoor, Hij roept Elia’.

L  Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken terwijl hij zei:

P  ‘Laat me begaan! We willen eens zien of Elia Hem eraf komt halen’.

L  Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

Hier knielen allen gedurende enige tijd.

L  Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën. De honderdman die tegenover Hem Post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven riep uit:

P  ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God’.

* $

L  Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; on­der hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria, de moe­der van Jacobus de jongere en van Joses, en Salóme. Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren. Het was al avond geworden en het was Voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor de sabbat. Jozef van Arimatéa, een vooraan­staand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwach­ting van het rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus. Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de  honderdman roepen en vroeg hem of Hij al gestorven was. Nadat hij door de honderdman  op de hoogte was gebracht, stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. Deze kocht een  lijnwaad, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een Steen voor de ingang ervan. Maria Magdalena en Maria de moe­der van Joses zagen toe waar Hij werd neergelegd.

Uitleg:

Het thema van deze Palmzondag is: ‘Gezalfd om te lijden’. Letterlijk tot Koning is bij Jezus Christus een zalving op Aarde nooit gedaan. Echter, nog geen week voor Zijn lijden, is Hij gezalfd door de wens van de Israëlieten, dat Hij hun Koning zou worden en zij Hem vreugdevol binnenhaalde in Jeruzalem. Wat tegen het ‘zere been’ was van de toenmalige leiders van de Tempel te Jeruzalem. Daarom werd Hij door Zijn volk, de Israëlieten, gezalfd tot hun Koning, maar deze zalving werd door de vrienden van Satan, de Tempelheren, die beweerden God e aanbidden, omgezet in lijden en sterven aan het kruis. Men kan hierbij beweren dat Jezus Christus gezalfd werd om te lijden voor ons mensen. Dat was niet de bedoeling van het gewone volk, maar wel door de misdadige leiders van dit volk, de hogepriesters van de Joodse Kerk! Zoals ook in onze tijd, net als in die tijd, vele zogenaamde ‘dienaars’, leiders van vele Christelijke Kerken meer heidens zijn geworden dan het gelovige volk van die Kerken, inclusief die van de grootste Kerk van Christus, door Hem Zelf gesticht, die nu de Rooms Katholieke Kerk wordt genoemd. Katholiek betekent overigens algemeen, dus de Kerk, door Jezus Christus gesticht was en, voor het gelovige deel ervan, is nog steeds de Algemene Kerk van Christus. Vandaag, aan de vooravond van de Wederkomst van Jezus Christus, vieren wij de vreugdevolle verwelkoming van Christus Koning, door het volk van Jeruzalem. In de week hierop volgend wisten de inmiddels heidens geworden Tempelheren, Hem door de heiden Pontius Pilatus te laten martelen en doden. Hoe dit gebeurde kunt u lezen in het evangelie van vandaag. Belangrijker is wat het voor ons, in deze inmiddels wederom heidens geworden tijd, betekent. Want zie, na bijna tweeduizend jaar, zijn wij mensen van deze Aarde eigenlijk weer terug bij af. Want Jezus Christus werd op Aarde geboren om ons mensen van de geestelijke dood te redden, omdat Satan de wereld beheerste. En dat is gelukt! Want, door het lijden en de kruisdood van Jezus Christus, werd de macht van Satan grotendeels gebroken. De grootste deemoedigheid en opofferingsgezindheid brak de grenzeloze hoogmoed van Satan. Vele eeuwen lang was de Leer en de Geboden van God in Jezus Christus op Aarde leidend. Niet bij alle mensen, maar wel in ons deel van de wereld bij de meeste mensen. Heden is de grootte weerstand te vinden in die werelddelen, die pas recentelijk bekeert zijn tot het christelijke geloof, tegen de afbraak van dit geloof door de christelijke leiders van allerlei christelijke Kerken, ook de Rooms Katholieke Kerk. Maar Europa is heden heidens geworden, voor het grootste deel van zijn inwoners. In onze zogenaamde Westerse Wereld wordt alles wat slecht is voor ons mensen gepromoot en verkocht als iets goeds en alles wat goed is voor ons mensen afgekeurd en onderdrukt als iets slechts. Enkel dat al is een teken dat, bij ons, Satan weer krachtig is geworden en God als iets nietszeggend is afgedaan. En dat heeft chaos gebracht en grote onrechtvaardigheid. Natuurlijk kan God dit niet voor eeuwig toelaten, omdat dan alle mensen geestelijk verloren zouden gaan,  en voor zover zij al niet lichamelijk zijn vermoord. Daarom zal Jezus Christus spoedig, nog voor 2030, terugkeren op Aarde. Niet, zoals bijna twee millennia geleden, verborgen in een stal, als pasgeboren kind, maar als God om te oordelen over levenden en doden. Kwam Hij onverwachts, dan waren de meeste mensenzielen verloren, vanwege onze vele zware zonden tegen Gods Leer en Geboden in. Maar God zal ons mensen eerst Waarschuwen hoe wij er in Gods ogen voorstaan, door een verlichting van ons geweten. Dat zal gebeuren voordat de Derde Wereldoorlog zal uitbreken. Aangezien de ontwikkelingen op Aarde aanduiden dat deze oorlog nog dit jaar kan of zal plaatsvinden, zal hoogstwaarschijnlijk in de komende maand of  maanden de Waarschuwing aan ons mensen gegeven worden. Wie zich dan tot God in Jezus Christus bekeert, die is gered voor het eeuwige leven. Wie zich van deze Waarschuwing niets aantrekt, die is rijp voor de hel. Zoals ook Satan en al zijn aanhangers, demonen, duivels en mensen, naar de hel zal worden verbannen en na de wederkomst van Jezus Christus geen invloed meer kunnen  uitoefenen op Aarde. Hierdoor, omdat dan de liefde regeert, zal de Aarde een aards paradijs worden voor alle mensen die dan nog op Aarde wonen of daarna op Aarde geboren worden. Het aardse lijden, die wij nu doormaken, is dan voorgoed voorbij. Alleen, na duizend aardse jaren, zal Satan nog een korte tijd zijn invloed op Aarde mogen uitoefenen, tot opstanding van deze gevallen engel, of tot de definitieve val van hem. Maar zo erg als hij voor de komst van God in de Mens Jezus Christus, of nu, door middel van duivels geworden mensen, zal hij nimmer meer tekeer kunnen gaan. Satan zijn macht was gedeeltelijk gebroken door de offerdood van Jezus Christus, maar zal, bij de wederkomst van Jezus Christus volledig worden gebroken. Nog éénmaal krijgt hij de kans om zich vol berouw tot God te keren en te herstellen van zijn slechtheid, maar pas overeen duizend jaar. Wanneer hij dit niet doet, dan komt hij de hel niet eerder uit dan dat hij God smeekt om hem uit de hel te verlossen, onder de gemeende belofte om zijn duivels streken achter zich te laten. Zoals, door Gods eindeloze Barmhartigheid alle duivels in de hel uit de hel kunnen komen, op de voorwaarde dat zij God er om smeken, met de belofte Hem verder in alle eeuwigheid te zullen gehoorzamen, door Zijn Leer en Geboden te doen. God is Liefde en eindeloos Barmhartig. Maar schepselen, zoals mensen en engelen, die Hij een vrije wil heeft gegeven, zal Hij nimmer deze vrije wil weer afnemen. Ook de lichtengel Lucifer, die wij nu Satan noemen, had een vrije wil, samen met al zijn volgelingen. Zij misbruikten hun vrije wil en werden gevangen genomen in de materie. Alle materiële schepselen zijn vrijgemaakte gevangenen uit de materie. Wij mensen hebben, als laatste fase van deze vrijmaking, weer een absoluut vrije wil gekregen. Daarmee kunnen wij zelf kiezen tussen God en de verleidingen van Satan, de verleidingen van onze wereld. Wie voor Satan kiest, en voor de aardse verleidingen, zal het eeuwige leven verliezen, omdat hij/zij reeds geestelijk is gestorven aan de eigen zonden. Wie voor God kiest, door Zijn Leer en Geboden te doen, die heeft gekozen voor het eeuwige leven in Gods hemelen, waar iedereen zalig en gelukkig is. Het is een kwestie van de eigen keuzes in het aardse leven, uit eigen vrije wil. God wil graag alle mensen op Aarde verheffen tot Zijn kinderen, maar alleen op voorwaarde dat wij mensen dat ook zelf willen. En die wil wordt niet uitgedrukt door ‘Heer, Heer’ te roepen, maar door Gods Leer en Geboden te doen tijdens ons leven op Aarde. Dan kunnen wij met vertrouwen een toekomst in de hemel tegemoet zien, na onze lichamelijke dood.  Wellicht ook een plaats in de woning van onze Vader, God in Jezus Christus, het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom vanaf heden leven als daadwerkelijke christenen en ervoor bidden dat wij elkaar daar allemaal mogen aantreffen.

Amen.

Cor Huizer.









© Cor Huizer 2024
Ontwerp en hosting Maartens automatisering