Religie

Schriftuitleg van Palmzondag 10 april 2022.

Inleiding: 

Elke zondag zal ik proberen de schriftlezingen uit de Rooms Katholieke Kerk van die dag uit te leggen op de wijze waarop ik ze begrepen heb. Dit is niet bedoeld als preek, of zoals het tegenwoordig genoemd wordt een homilie, maar enkel als uitleg. Van geen enkele Kerk heb ik toestemming gekregen om te preken, daarom mag mijn Schriftuitlegging ook geen preek genoemd worden. Maar toch meen ik de vrijheid te hebben om mijn begrijpen van de schrifttekst wereldkundig te maken. Natuurlijk hoeft u het niet eens te zijn met mijn uitleg. Elk mens is uniek. Zoals het licht de verschillende vormen ook verschillend terugkaatst, zo begrijpt elk mens de Schrift op een andere wijze, heeft een ander bevattingsvermogen. U begrijpt de Schrift misschien wel beter, of minder goed dan ik. Wat ik opschrijf is mijn eigen begrijpen. U mag er uw voordeel mee doen, of u eraan ergeren (liever niet, is slecht voor uw hart), of een totaal verschillende mening hebben. Begrijp mijn schrijven zoals het u behaagt. 

Schriftteksten: 


Evangelielezing Lucas 19, 28-40

In die tijd trok Jezus verder en ging op naar Jeruzalem. Toen Hij Betfage en Bethanië naderde, zond Hij twee van zijn leerlingen met de opdracht: ‘Gaat naar het dorp daar vóór u. Bij uw binnenkomst zult ge een veulen vinden dat vastgebonden staat en waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt het los en brengt het hier. Mocht iemand u vragen: waarom maakt ge het los? dan moet ge zeggen: de Heer heeft het nodig’. De twee leerlingen gingen dus weg en bevonden het zoals Hij hun gezegd had. Toen ze het veulen losmaakten, vroegen hun de eigenaars: ‘Waarom maakt ge het veulen los?’. Zij antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig’. Ze brachten het veulen bij Jezus, wierpen er hun mantels overheen en hielpen Jezus erop. Terwijl Hij voorttrok spreidden ze hun mantels op de weg uit. Toen Hij de stad naderde, begonnen zijn talrijke volgelingen, reeds op de helling van de Olijfberg, opgetogen en met luide stem God te prijzen om alle wonderen die zij gezien hadden. Zij riepen: ‘Gezegend de Koning die komt in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer in den hoge!’. Enige Farizeeën onder het volk zeiden tot Hem: ‘Meester, geef uw leerlingen een terechtwijzing’. Hij antwoordde: ‘Ik zeg u: Als zij zwijgen, zullen de stenen roepen’. 


Eerste lezing Jesaja 50, 4-7

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en Ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden. 


Tweede lezing Filippenzen 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van Zijn naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.


Evangelielezing Lucas 22, 14-23,56

U kunt de lezing in haar geheel lezen, of in één van de ver­korte versies, bijvoorbeeld van * tot *, of van $ tot $’. L ‘ lector; C ‘ Christus; A ‘ allen; P ‘ andere Bijbelse perso­nen. 

L   Toen de tijd aangebroken was, ging Jezus met de apostelen aan tafel aanliggen. Hij sprak tot hen:

C   ‘Vurig heb Ik ernaar verlangd dit paasmaal met u te eten eer ik ga lijden. Want Ik zeg u: Ik zal het niet meer eten tot­dat het zijn vervulling vindt in het rijk Gods’.

L   Daarop nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en zei:

C   ‘Neemt die beker en deelt hem samen. Want Ik zeg u: Van dit ogenblik af drink Ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt, totdat het rijk Gods is gekomen’.

L   Daarop nam Hij het brood en sprak een dankgebed uit; Hij brak het en gaf het hun, met de woorden:

C   Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot een gedachtenis aan Mij’.

L   Evenzo gaf Hij hun de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak:

C   ‘Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten. Maar zie, degene door wiens hand Ik zal worden overgeleverd is met Mij aan tafel. Want de Mensenzoon gaat heen zoals het is vastgesteld; maar toch, wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd’.

L   Nu begonnen zij onder elkaar te vragen wie van hen het toch was, die dat zou doen. Er ontstond twist onder hen over de vraag wie van hen wel de voornaamste mocht zijn. Maar Jezus sprak tot hen:

C   ‘De koningen van de volkeren oefenen heerschappij over hen uit en hun machthebbers laten zich weldoeners noe­men. Zo moet gij niet doen; maar wie onder u de voor­naamste is moet als de jongste wezen; en wie bevelen geeft moet zijn als iemand die dient. Wie is immers de grootste: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt? Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient. Gij zijt het die trouw zijt gebleven in mijn beproevingen. En zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft verleend, zo verleen Ik u een plaats in mijn koninkrijk; ge zult eten en drinken aan mijn tafel en ge zult op tronen gezeten zijn om te heersen over de twaalf stammen van Israël. Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwij­ken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt versterk dan op uw beurt uw broeders’.

L   Maar hij antwoordde:

P   ‘Heer, ik ben bereid met U zelfs gevangenis en dood in te gaan!’

L   Daarop sprak Jezus:

C   ‘Ik zeg u Petrus: de haan zal vandaag niet kraaien voordat ge driemaal geloochend hebt Mij te kennen’.

L   Hij sprak tot hen:

C   ‘Toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, heb ge toen aan iets gebrek gehad?’.

L   Ze antwoordden:

A    ‘Aan niets’.

L   Hij hernam:

C   ‘Maar nu moet wie een beurs heeft die meenemen en eveneens een reiszak: en wie die niet bezit, verkope zijn mantel en schaffe zich een zwaard aan. Ik zeg u: in Mij moet dit Schriftwoord vervuld worden: Hij is tot de boos­wichten gerekend. Wat over Mij werd beschikt gaat nu vervuld worden’.

L   Ze zeiden Hem:

A    ‘Zie Heer, hier zijn twee zwaarden’.

L   Hij antwoordde:

C   ‘Het is genoeg’. 

*

L   Hij ging nu naar buiten en begaf zich volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. Ook de leerlingen gingen met Hem mee. Ter plaatse aangekomen sprak Hij tot hen:

C   ‘Bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat’.

L   Hij verwijderde zich van hen en ging ongeveer een steen­worp verder; daar wierp Hij zich op de knieën en bad:

C   ‘Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil maar uw wil geschiede’.

L   Nu verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken. Aan doodsangst ten prooi bad Hij met nog meer aandrang. Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed die op de grond neervielen. Toen stond Hij op uit zijn gebed en ging naar zijn leerlingen, maar Hij vond hen van droefheid in slaap. Hij zei tot hen:

C   ‘Hoe kunt ge slapen? Staat op en bidt dat ge niet op de bekoring ingaat’.

L   Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam een troep, voorafgegaan door Judas één van de twaalf. Deze trad op Jezus toe om Hem te kussen. Maar Jezus zei tot hem:

C   ‘Judas, verraadt ge de Mensenzoon met een kus?’.

L    Toen zij die om Hem heen stonden bemerkten wat er ging gebeuren, vroegen ze:

A    ‘Heer zullen we met het zwaard erop in s1aan?’.

L   En één van hen gaf de knecht van de hogepriester een slag en hieuw hem het rechteroor af. Maar Jezus greep in en zei:

C   ‘Laat het hierbij’.

L   En Hij raakte het oor aan en genas hem. Nu sprak Jezus tot de hogepriesters, tot de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren:

C   ‘Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels. Dagelijks was Ik bij u in de tempel en ge hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en uw macht is die der duisternis’.

L   Zij grepen Hem nu vast en voerden Hem weg en zij brach­ten Hem in het huis van de hogepriester, terwijl Petrus Hem op een afstand volgde. Op de binnenplaats legden zij een vuur aan en gingen bij elkaar zitten; Petrus zat tussen hen in. Toen een dienstmeisje hem bij het schijnsel van het vuur zag zitten en hem scherp had opgenomen, zei ze:

P   ‘Die was ook bij Hem’.

L   Maar hij ontkende het, en zei:

P   ‘Vrouw ik ken Hem niet’.

L   Even later zag iemand anders hem en zei:

P   ‘Jij bent ook één van hen’.

L   Maar Petrus antwoordde:

P   ‘Man dat is niet waar’.

L   Na verloop van ongeveer een uur verklaarde een ander met stelligheid:

P   ‘Waarachtig die man behoorde ook bij Hem: hij is immers ook een Galileeër’.

L   Petrus antwoordde:

P   ‘Man ik weet niet wat je bedoe1t’.

L   Hij had het nog niet gezegd of meteen kraaide een haan. Toen keerde de Heer zich om en Hij keek Petrus aan; het schoot Petrus te binnen hoe de Heer hem gezegd had: ‘Eer vandaag een haan kraait zult ge Mij driemaal verlooche­nen’. En hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. De mannen die Jezus bewaakten bespotten en sloegen Hem. Ze wierpen een doek over zijn hoofd en vroegen Hem:

A    ‘Wees nu eens profeet: wie is het die U geslagen heeft?

L    Nog vele andere beschimpingen voegden ze Hem toe. Toen het dag geworden was vergaderde de raad van oudsten van het volk, hogepriesters en schriftgeleerden en zij lieten Hem voor hun rechtbank leiden. Ze zeiden:

A    ‘Als Gij de Christus zijt zeg het ons dan’.

L   Maar Hij sprak tot hen:

C   ‘Als Ik het u zeg zult ge er toch geen geloof aan hechten; en als Ik u vragen stel zult ge toch geen antwoord geven. Maar van nu af zal de Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Macht van God’.

L   Toen vroegen ze allen:

A   ‘Gij zijt dus de Zoon van God?’.

L   Hij antwoordde hun:  ‘Gij hebt het gezegd: dat ben Ik.

  1. Zij riepen:

A   ‘Waartoe hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij heb­ben het toch zelf uit zijn eigen mond gehoord’. 

L   Toen stond de gehele vergadering op en men bracht Hem voor Pilatus. Daar begonnen ze Hem te beschuldigen en ze zeiden:

A   ‘Wij hebben vastgesteld, dat die man ons volk tot opstand aanspoort, dat Hij het ervan afhoudt aan de keizer belas­ting te betalen en dat Hij zich uitgeeft voor de Messias, de Koning’.

L   Pilatus vroeg Hem:

P   ‘Zijt Gij de koning der joden?’.

L   Hij gaf hem ten antwoord:

C   ‘Gij zegt het’.

L   Pilatus zeide nu tot de hogepriesters en de volksmenigte:

P   ‘Ik kan in deze man geen enkele schuld ontdekken’.

L   Maar zij hielden aan en riepen:

A   ‘Door zijn prediking in heel het joodse land, waar Hij in Galilea mee begonnen is en die Hij tot hier heeft voortge­zet, zaait Hij onrust onder het vo1k’.

L   Toen Pilatus dat hoorde vroeg hij of de man een Galileeër was. Zodra hij vernam dat Jezus inderdaad uit het machts­gebied van Herodes kwam stuurde hij Hem naar Herodes, die in die dagen eveneens in Jeruzalem verbleef. Herodes toonde zich zeer verheugd toen hij Jezus te zien kreeg. De verhalen over Jezus hadden hem sinds geruime tijd daarnaar doen verlangen en hij hoopte Hem nu een of ander wonder te zien verrichten. Hij stelde Hem allerlei vragen, maar Jezus gaf in het geheel geen antwoord. De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden erbij en putten zich uit in beschuldigingen tegen Hem. Samen met zijn soldaten hoonde en bespotte Herodes Hem. Hij hing Hem een schitterend gewaad om en zond Hem terug naar Pilatus. Op die zelfde dag werden Herodes en Pilatus elkaars vrien­den; tevoren namelijk leefden zij in onderlinge vijandschap.

Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de overheidsperso­nen en het volk bijeen en hij zei tot hen:

P   ‘Gij hebt deze man voor mij gebracht als iemand die het volk tot opstand aanzet; welnu: ik heb Hem in uw bijzijn verhoord maar ik heb in deze man niets kunnen ontdek­ken van al datgene waar gij Hem van beschuldigt. Herodes evenmin want hij heeft Hem naar ons teruggezonden. Het is duidelijk dat Hij niets heeft bedreven dat de doodstraf zou rechtvaardigen. Ik zal Hem daarom een tuchtiging la­ten toedienen en dan vrijlaten’.

L   Ze begonnen allen tegelijk te schreeuwen:

A   ‘Weg met Hem! laat ons Barabbas vrij!’.

L   Deze Barabbas was in de gevangenis geworpen wegens een oproer in de stad en wegens moord. Opnieuw sprak Pilatus hen toe omdat hij Jezus wenste vrij te laten. Maar zij riepen daartegen in:

A   ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’.

L   Voor de derde maal vroeg Pilatus hun:

P   ‘Wat voor kwaad heeft die man dan toch gedaan? Ik heb in Hem niets gevonden, dat de doodstraf rechtvaardigt. Ik zal Hem daarom een tuchtiging laten toedienen en dan vrijla­ten’.

L   Luid schreeuwend bleven zij echter zijn kruisiging eisen en hun geschreeuw gaf de doorslag. Pilatus besliste dat ge­beuren zou wat zij eisten: Hij liet de man die zij opvorder­den los, al zat hij wegens oproer en moord in de gevange­nis, maar Jezus leverde hij over aan hun willekeur. Toen zij Hem wegvoerden hielden zij een zekere Simon aan, een man uit Cyrene die van het veld kwam; hem belaadden ze met het kruis om het achter Jezus aan te dragen. Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. Jezus keerde zich tot hen en sprak:

C   ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij maar weent over uzelf en over uw kinderen. Weet dat er een tijd zal ko­men waarop men zeggen zal: Gelukkig de onvruchtbaren, wier schoot niet heeft gebaard en wier borst geen kind heeft gevoed. Dan zal men tot de bergen zeggen: Valt op ons en tot de heuvels: Bedekt ons. Want als men zo doet met het groene hout wat zal er dan met het dorre gebeu­ren?’.

L   Er werden nog twee anderen weggevoerd, twee misdadi­gers, om samen met Hem ter dood te worden gebracht. Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet sloegen zij Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de één rechts, de ander links. En Jezus zeide:

C   ‘Vader, vergeef hun want ze weten niet wat ze doen’.

L    Ze verdeelden zijn kleren onder elkaar, door erom te dob­belen. Het volk stond toe te kijken maar de overheidsper­sonen lachten Hem uit en zeiden:

A   ‘Anderen heeft hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’.

L   De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden Hem spottend toe:

A   ‘Als Gij de koning der joden zijt red dan uzelf’.

L   Boven Hem stond als opschrift in Griekse, en Romeinse Hebreeuwse letters: ‘Dit is de koning der joden’. Ook één van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem:

P   ‘Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons’.

L   Maar de andere strafte hem af en zei:

P   ‘Heb zelfs jij geen vrees voor God terwijl je toch hetzelfde vonnis ondergaat? En wij ondergaan dat vonnis terecht, want wij krijgen wat we door onze daden verdiend hebben, maar Hij heeft niets verkeerds gedaan’.

L   Daarop zei Hij:

P   ‘Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk geko­men zijt’.

L   En Jezus sprak tot hem:

C   ‘Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs’.

L   Het was omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem:

C    ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’.

L    Nadat Hij dit gezegd had gaf Hij de geest. 

(Hier knielen allen gedurende enige tijd.) 

L   Op het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en hij zei:

P   ‘Deze mens was waarlijk een rechtvaardige’. 

L   Al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was keerde terug toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was, en zij sloegen zich op de borst. Al zijn bekenden stonden op een afstand toe te zien; ook de vrouwen die Hen vanuit Galilea gevolgd waren. 

L   Nu was er een zekere Jozef, lid van de Hoge Raad, een welmenend en rechtschapen man, die dan ook niet had ingestemd met de plannen en handelwijze van de Raad. Hij was afkomstig uit de joodse stad Arimatéa en leefde in de verwachting van het Rijk Gods. Deze ging naar Pilatus er vroeg om het lichaam van Jezus. Na het van het kruis ge nomen te hebben wikkelde hij het in een lijkwade. Vervolgens legde hij Hem in een graf dat in steen was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand was neergelegd. Het was Voorbereidingsdag en de sabbat brak aan. De vrouwen die uit Galilea met Hem meegekomen waren volgden, en zij bekeken het graf en zagen toe hoe zijn li­chaam werd neergelegd. Teruggekeerd maakten ze welrie­kende kruiden en balsem klaar maar op de sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht. 

Uitleg: 

Het thema van deze Palmzondag is: ‘Hosanna, Zoon van David!’. Op deze dag herdenken wij dat Jezus Christus in Jeruzalem werd binnen gehaald, onder luid geroep van Hosanna,  Zoon van David!. Want lichamelijk stamde Hij van koning David af, immers Zijn moeder Maria was, evenals haar echtgenoot Jozef, een afstammeling van koning David. Hiermee was de belofte aan David, dat een afstammeling van hem Koning zou zijn over Israël waarheid geworden. Want Jeruzalem betekent de stad waar God woont en de naam Israël kreeg de stamvader Jacob, omdat hij geworsteld had met God. En die aam droeg het volk, welke van hem afstamde. Na de dood en verrijzenis van Jezus Christus, is ook elke christen een geestelijke afstammeling van Abraham en daarom ook van Jacob en is Jezus Christus de Koning der koningen, omdat Hij God is en aan Zijn rijk komt nooit een einde. Tijdens Zijn aardse leven liet Hij zich maar éénmaal als Koning vereren, namelijk zes dagen voor Zijn lijden en lichamelijke dood, toen Hij onder gejuich werd binnengehaald in Zijn stad, Jeruzalem. Waar de hogepriesters van die stad, die eigenlijk Hem moesten aanbidden, Hem naar het leven stonden. Zoals ook heden een deel van Zijn Kerkleiders, in plaats van Hem te aanbidden en te volgen, Zijn Kerk geestelijk willen afbreken en elk spoor van God in Jezus Christus willen uitwissen, omdat ook zij niet langer God willen volgen, maar Satan aanbidders zijn geworden. Zij doen, bijna openlijk, de zwaarste en afschuwelijkste zonden, alleen houden zij, net als de hogepriesters toen, nog een beetje de schijn op, opdat zij vele mensen kunnen misleiden met hun huichelarij. Jezus Christus reed op een ezel, een nederig dier, Jeruzalem binnen. Niet Zijn aardse eigendom, maar geleend van een volgeling van Hem, die blij was Hem op deze wijze te mogen dienen. De deemoedige Koning, Wiens troon een kruis was, reed op een nederig dier Zijn stad binnen, maar nam het aardse koningschap niet aan; want Zijn Rijk is niet van deze Aarde. Nog geen week later werd Jezus Christus gevangen genomen, verraden door Judas Iskariot, een van Zijn apostelen en binnen een etmaal valselijk beschuldigd, veroordeeld en doodgemarteld; eerst door een zware geseling en daarna aan een kruis geslagen. Zijn lijdensweg was al voorspeld door Jesaja. Want wat Jezus Christus, als Mens de Zoon van God, maar Zijn inwonende Geest was en is God in al Zijn volheid, moest overkomen om de zonde van Adam en Eva goed te maken, werd al in detail omschreven door Jesaja, die waarschijnlijk zelf niet te volle begreep wat God hem liet opschrijven. Paulus, die pas na Pinsteren in de jonge Kerk van Christus optrad als apostel, wist dit natuurlijk wel. En Paulus begreep ook de grootheid van Jezus Christus, die in de Geest God is, maar die Zichzelf ontledigd heeft en een bestaan van een slaaf op zich had genomen. Ja, Hij was als Mens volkomen gehoorzaam aan God, Zijn Vader tot aan de aardse dood, de dood aan het kruis. Noodzakelijk om ons mensen te verlossen van de dood. Want door de zonde van het eerste mensenpaar was de verbinding tussen God en ons zodanig verbroken, dat niemand bij God kon wonen na zijn lichamelijke dood. Waar zijn staat moet u ook haar lezen, lees di naar uw eigen geslacht. Maar na de dood van Jezus Christus en Zijn verrijzenis was, en is, de verbinding tussen God en ons mensen volledig hersteld. Daarom kunnen wij ook ware kinderen van God worden, indien wij dat zelf willen. Natuurlijk met terugwerkende kracht voor die mensen, die volgens de Geboden van God geleefd hadden, want die heeft God in Jezus Christus na Zijn dood en nog voor Zijn verrijzenis opgehaald en over de herstelde verbinding tussen God en ons mensen naar de hoogste hemel geleid. Vandaag herdenken wij echter ook twee zeer belangrijke gebeurtenissen. Ten eerste heeft God in Jezus Christus de heilige Eucharistie ingevoerd, tijdens het laatste avondmaal, vlak voordat Zijn lijden aanbrak. Nog geen etmaal daarna was Hij lichamelijk vermoord en lag Hij reeds in Zijn graf. En dat was de tweede belangrijke gebeurtenis; Zijn lijdensweg en dood, waarmee Hij ons verloste van de straf, welke God aan Adam en Eva – en daarmee aan al hun nakomelingen, dus alle mensen op Aarde – had opgelegd na hun grote zonde. Namelijk dat de verbinding tussen God en de mensen voor ons mensen was afgesloten. En juist door deze wrede dood – die wij mensen, die Satan dienden – Hem hadden aangedaan, heeft Jezus Christus ons hiervan verlost; door deze dood maakte Hij de gevolgen van de zonde, van het eerste mensenpaar, ongedaan. Maar wel alleen voor die mensen, die Hem als God, Heer en hemelse Vader willen erkennen en Zijn Geboden van liefde willen houden. Wie Hem afwijst, die wijst zijn eigen leven af en kan, behalve lichamelijk overlijden, wat wij allen moeten doen, ook geestelijk sterven. En wel omdat God Liefde is en Zijn Liefde ook Zijn Leven is, is de liefde de basis van alle leven. Als wij dan, uit eigen vrije wil, geen liefde willen hebben, kunnen opbrengen voor anderen, dan alleen voor zichzelf, dan is de hel de toekomst van deze mensenzielen en in de hel is geen spoortje van liefde aanwezig. Door het ontbreken van liefde is daar ook geen leven te vinden; dus de eeuwig durende geestelijke dood. Maar die komt enkel door de eigen keuzes van ons mensen, gemaakt uit eigen vrije wil. Mensen, die het goede niet willen, zijn blind en doof voor alles, wat ons als goedheid van Godswege uit overkomt. Neem nu die knecht van de hogepriester, die een oor werd afgeslagen, een verwonding die gewoonlijk ongeneeslijk is. Maar Jezus Christus, die hij in opdracht van zijn baas gevangen moest nemen, genas hem daar geheel van. Dat dit gebeurde bracht hem echter niet op het idee om niet te doen wat hem was opgedragen, maar hij ging gewoon door met deze kwaadaardige opdracht. Doof en blind voor de genade uit barmhartigheid, die hem was overkomen, evenals zijn mede daders van deze misdaad. Ook Pilatus, die er zelf van overtuigd was dat Jezus Christus volkomen onschuldig was, liet deze onschuldige geselen en ter dood brengen, vanwege het wezenloos gebrul van een opgehitste menigte. Hiermee overtrad hij zijn bevoegdheid en deed hij mee in een afgrijselijke misdaad; het vermoorden van iemand die volkomen onschuldig was aan de misdaad, waarvoor hij zogenaamd moest worden gedood. Natuurlijk des te erger, als wij het hebben over de Zoon van God, maar dat had ook gegolden voor iedere ander onschuldig slachtoffer van het ontbreken van een rechtvaardig oordeel. Pilatus was dus een onrechtvaardige rechter. Zoals er ook heden vele onrechtvaardige rechters zijn, die eerder hun eigen belangen nastreven dan de wet en het recht te handhaven. Hierdoor zijn er vele slachtoffers van onrecht en misbruik van macht te betreuren. Er is dus, ook na twee millennia, niets veranderd. Maar wie wel met naastenliefde zijn werk uitvoert, ongeacht tegenover wie, die doet wat God van hem wil. Die mensen zullen, na hun lichamelijke dood, zeker in een hemel komen. Wellicht ook in de woning van onze Vader, God in Jezus Christus, het hemelse Jeruzalem. Laten wij daarom vanaf heden leven als daadwerkelijke christenen en ervoor bidden dat wij elkander daar allemaal mogen ontmoeten. 

Amen. 

Cor Huizer.









© Cor Huizer 2022
Ontwerp en hosting Maartens automatisering